Wil tot leven
Wil tot leven, het oerstreven tot in standhouden en uitbreiden van leven, toont zich tijdens het voorjaar overvloedig op onze aardbol. Dan zien we nieuw leven ontkiemen, verwekken en ontwikkelen bij planten, bomen, dieren en de mens als bijzonder dier. Het voorjaar is het tijdstip waarvan de natuur weet de het het juiste tijdstip is tot ontkiemen of verwekken omdat na het voorjaar jong leven de tijd heeft om te groeien zodat de hobbel van herfst en winter genomen kan worden. De bronstijd van het najaar is bestemd voor die dieren waarvan de dracht lang genoeg is om in het voorjaar daarop nieuw leven geboren te laten worden.
Wij mensen zien dat gebeuren en kunnen daar een eenvoudige verklaring voor geven, zoals beschreven. Het is het uiterlijk kenmerk van wil tot leven, dat zich lichamelijk toont. Planten en bomen verspreiden in het voorjaar ontelbare en nog eens ontelbare zaadjes waarvan een fractie ontkiemd en daar weer een fractie van tot plant of boom wordt. Als dat niet zo was zou de dierenwereld zich niet hebben kunnen evolueren, vanwege verstikking door begroeiing. Maar ook in de dierenwereld maakt de natuur overvloedig gebruik van ontelbare vruchtbare cellen, die niet tot ontwikkeling komen, waardoor wil tot leven zich overdadig toont.
Een vrouw heeft als foetus het maximum aantal potentiële eieren ( primaire oöcyten), meer dan zeven miljoen. Na haar geboorte is het aantal gedaald naar een tot twee miljoen. Tijdens de pubertijd ongeveer 300.000, slechts 300 tot 400 bereiken rijpheid. De eicel heeft dan een grootte van 100 tot 200 micrometer ( 0,1 - 0,2 mm). Als het niet bevrucht wordt, binnen een dag van haar ejectie van de eierstok, sterft ze.
De zaadcellen van een man worden gemaakt in de teelballen en rijpen in de bijballen. Bij een zaadlozing wordt er 3 tot 5 ml sperma geloosd, een vingerhoedje vol, dat 100 tot 200 miljoen zaadcellen kan bevatten. Zaadcellen die niet naar buiten worden gestuwd, worden na een maand afgebroken. De zaadcellen hebben een kop van 5 bij 3 micrometer ( 0,005 bij 0,003 mm) en een staart van 50 micrometer lang. De zaadcelkop heeft de specifieke functie van het DNA transport, omdat alleen de kop de eicel binnendringt en is een factor 50 kleiner dan de zaadcel.
Eicellen zijn vrouwelijk, ook na de bevruchting door de zaadcel. Tijdens de zevende week kan het vrouwelijk geslacht veranderen in het mannelijk geslacht, maar slechts gedurende een paar uur. Als dan het SRY-gen, de afkorting van Seks-determining Region on the Y-chromosome, ook wel meester-gen genoemd, het geslacht omschakelt. Door de SRY-proteïne die dan uitgescheiden wordt stopt de vrouwelijke ontwikkeling en activeert andere genen op een aantal verschillende chromosomen. Vanaf dan ontwikkelt zich de man. De vrouw met XX chromosomen verandert dan in man met XY chromosomen. Ik heb geschreven kan, want als het SRY-gen niet actief wordt gedurende die paar uur, ontwikkelt zich een vrouw.
Wat een en ander wel of niet in gang zet vraagt nader onderzoek. Wel kan nu aangenomen worden dat mannen gemuteerde vrouwen zijn. De vrouw is niet uit de man ontstaan, maar de man uit de vrouw.
De natuur laat ruimhartig zaad en cellen ontstaan, ontwikkelen en weer sterven voor planten, bomen en dieren. Ze toont hierdoor met overdaad wil tot leven, de levenswil.
Waarom heeft de natuur die overdaad nodig?
WD Hamilton (1964) is tot de gedachte gekomen dat altruïsme, welbewuste daad van opoffering, de soort doet overleven. Het individu is ondergeschikt aan de soort.
Het sterven van een kind wordt als zwaarste lijden door de ouders ervaren. Misschien omdat je meemaakt dat een deel van jouw genen zijn gestorven, een oerlijden. Grotere dieren zien we lijden bij het sterven van een baby. Ze kunnen er moeilijk afscheid van nemen. Je laat het leven, om je eigen kinderen te redden. Bij een scheepsramp gaan als eerste kinderen de reddingssloepen in.
Onze genen, DNA moleculen, dienen niet ons, wij dienen onze genen. Door te leven en leven door te geven, onze doorgeeftaak van leven.
We erkennen nu dat individuen enkel als voertuigen dienen van genenoverleving.
Is overdaad misschien nodig tot overleving van een enkeling? Gezien de overdaad bij planten, bomen en bij de mens, is de geachte niet misplaatst. Want genen moeten overleven!
Waar bevindt wil tot leven zich bij genen? Waar op het DNA?
Zou het kunnen dat in de telomeren van onze chromosomen zich wil tot leven bevindt? Een telomeer bestaat uit een enkelstrengs DNA uit de uiteinden van een chromosoom, een soort kapjes, caps. Telomeren rafelen af bij celdeling, als de telomeerlengte constant gehouden kan worden, kan celdeling door blijven gaan zonder dat zij sterft. Onderzoek uit 1998 geeft de indruk dat bij onder bepaalde voorwaarden de cellen onsterfelijk worden. De telomeerlengte varieert van kort 3 kilobasen ( 0,001 mm) tot lang 20 kilobasen ( 0,007 mm).
Veel ziekten worden in verband gebracht met telomeren en telomeerlengte, bijvoorbeeld: Atherosclerose, vasculaire dementie en kanker behoren tot de voornaamste. En niet te vergeten het ouder worden als zodanig, het verouderingsproces. Het verouderingsproces dat de telomeren verkort als gevolg van celdeling.
Elizabeth Blackburn, Carol Greider en Jack Szostak wonnen in 2009 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde voor hun ontdekking van de beschermende werking van telomeren tijdens celdelingen.
Er zijn behandelingsmethoden in ontwikkeling die er op gericht zijn de telomeerlengte te verlengen. Wat daar de gevolgen van zouden kunnen zijn? Onsterfelijkheid?
Als de telomeerlengte zo van invloed is op het in standhouden van leven, is het dan te gewaagd te denken dat zich in de telomeer misschien het oerstreven van leven bevindt, de wil tot leven?
Welke stof in de telomeren is dan wil tot leven?
Waardoor is die stof ontstaan?
Hersenonderzoek in de vorige eeuw en hersenscan onderzoek gedurende de jongste decennia geeft een beeld van het menselijk brein dat in drie delen is te onderscheiden. Alhoewel onze hersen volledig verweven zijn, een eenheid vormen, is voor het inzicht naar de werking van de hersenen een drie deling niet onverantwoord, tot nu.


De midden hersenen, ons oudste instinctieve brein met de ‘reptilische’ hypothalamus, verzorgt de lichamelijke basis functies. Hartslag, ademhaling, spierreflexen en waakzaamheid zijn georiënteerd op overleven. De 4V’s, vechten, vluchten, voeden en voortplanten.
Daarna, 200 miljoen jaar geleden in onze zoogdiervoorouders, ontwikkelde zich het zoogdierlijke brein, subcorticale limbische systeem. Onze emoties worden hierin opgewekt en doorgegeven. Emoties als hoop, voelen, mededogen, vreugde, verlangen en binding. Negatieve emoties stimuleren het sympatische zenuwstelsel, verhogen hartslag en ademhaling. Positieven emoties kalmeren het parasympatische zenuwstelsel, verlagen hartslag en ademhaling.
De menselijk ontwikkeling, de laatste 2 miljoen jaar, zorgde voor het ontstaan van het neozoogdierbrein, de neocortex het Homo-sapiens brein. De linker neocortex verzorgt spreken, denken analyseren, theologie, de cognitieve aspecten. De rechter neocortex verzorgt muziek, emotie, symbolen, de spirituele gehelen.
De middenhersenen worden voor de basis levensbehoeften verantwoordelijk gehouden, het limbische systeem voor emotie en gevoel, de neocortex voor spraak en denken. Wil tot leven toont zich in de drie hersengebieden. De drie hersengebieden worden in vuur en vlam gezet als het leven wordt bedreigd en overlevingsstrategieën bedacht moeten worden ofwel de liefde bedreven wordt met mogelijk nieuw leven. Het zoogdierbrein heeft een uitermate sterke invloed op ons leven, zoals Paul MacLean schreef: ' Het vicerale brein (zoogdierbrein) is alles behalve onbewust (...) maar is eerder ongrijpbaar voor het intellect omdat zijn dierlijke en primitieve structuur het onmogelijk maakt in verbale termen te communiceren.'
Waren Plato, de Bhagavad Gita en de Ouden profetisch? Zij hadden het beeld dat onze geest uit drie karakters bestaat. Zoals Plato zegt: het begeerlijke, dappere en wijsgerige.


