Mijn leven

Mijn leven werd eind april 1944, vijfenzestig jaar geleden verwekt, terugrekenend vanaf mijn geboorte in februari 1945. De tweede wereldoorlog was nog in volle gang. Waaraan moeten mijn ouders gedacht hebben voor, tijdens en na mijn verwekking? Er waren wel ‘berichten’ van een mogelijke geallieerde invasie. Mijn vader nog maar kort terug uit het concentratiekamp in Polen, had als militair wellicht iets gehoord in het militair Hospitaal van Utrecht. Was de blijdschap toegeslagen in het prille huwelijk van mijn ouders en ontladen in mijn verwekking. Ik kan het ze niet meer vragen. Ik hoop dat de gedachte enigszins klopt anders was mijn verwekking dierlijke lust. Ik houd het op het eerste. Omdat de beruchte Hongerwinter van 1944-1945 ons over een paar maanden stond te wachten. Met dat onbekende vooruitzicht kan ik niet verwekt zijn, iets bijzonder fijn moet het vooruitzicht zijn geweest. Al met al werd ik in februari 1945 geboren, midden in de Hongerwinter. Mijn moeder had ruim voldoende voedsel bij zich, zodat ik gezond en wel de bevrijding werd ingeloodst. De bevrijdingsfestiviteiten in mei 1945 staan mij alleen verhalen en beelden van overlevering voor de geest. Veel feesten zonder drank. Het weinige dat er was was zelf gestookt. Het kaalscheren van vrouwen die het met de vijand hadden gedaan. Het opbrengen van lieden die met de vijand hadden geheuld. Ons gezin breidde zich uit tot een gezin waarvan nog vijf kinderen leven. Mijn kinderjaren heb ik doorgebracht met mijn twee zusjes. In twee en een half jaar zijn er drie kinderen geboren: februari 1945, maart 1946 en juli 1947. Daarop terugkijkend heb ik de idee dat dat te veel kinderen zijn in een te korte tijd. Misschien heeft het vrij zijn er toe bijgedragen. Misschien ook de religie, rooms-katholiek. Aan de kant van mijn moeder, maar zeker aan die van mijn vader kan gesproken worden van kinderrijke gezinnen. Aan moederskant maximaal zeven en aan vaderskant maximaal veertien kinderen in een gezin. De kerk was er indertijd blij mee. Veel gelovigen maakt grote kerken, geeft macht. ‘Laat de kinderen tot mij komen,’ zegt de Schrift. Voldoende aandacht kan aan het kind niet gegeven worden met drie op rij. Daardoor was ik misschien zo ‘lastig’. Vroeg ik aandacht die ik niet kreeg en werd vastgebonden in de box of kinderstoel. Dat liet ik kennelijk niet ongehoord passeren, is mij op latere leeftijd nog al eens verteld door mijn moeder. Ik heb de idee dat ik pas sinds een paar jaar begrijp waarom.
Ik meen een goede jeugd gehad te hebben omdat ik mij van mijn kinderjaren niet veel kan herinneren. Ook het vastbinden niet. Zodat ik mij niet bewust ben daar lang onder geleden te hebben. Maar ik schijn moeilijk geweest te zijn. Ook op de kleuter- en lagere school. Misschien is het een uiting van aandacht vragen omdat thuis het er niet van kwam. Vaak werd gezegd: ‘Hij kan het wel, maar heeft er geen zin in.’ Ik weet niet waarom ik het niet deed terwijl ik het wel kon. Misschien onbewust: ‘Als jullie mij geen aandacht schenken, waarom ik jullie dan wel.’ Als jongere doe je je best voor de oudere in wisselwerking.
Ik onderzocht wel alles grondig. Een nieuw treintje van Sinterklaas werd direct gesloopt tot op het bot. Bij het in elkaar zetten van de onderzochte delen bleef nog al eens het een en ander over. Op onderzoek uitgaan deed ik graag. Horloges en wekkers repareren lukte soms.  Een Philips pionier radio in elkaar knutselen werd een succes. Met knutselen, slopen en bouwen, kon ik mij creatief en intensief mee bezighouden. Radio ‘repareren’ en een theeblad figuurzagen deed ik graag. Maar zeker ook vliegers bouwen. Het standaard model, maar ook vierkante en zeshoekige vliegers heb ik gebouwd en opgelaten. Het regelmatig zeuren om vliegerpapier werd mij niet altijd in dank afgenomen. De lagere school heb ik zonder problemen doorlopen. Ik kon wel maar deed niet, was de reactie van de onderwijzers. Het derde schooljaar had ik allemaal zevens. Het bewijs volgens de onderwijzer, wel kunnen niet willen. Een paar zeven min en een paar zeven plus. Zodat het de LTS werd. De onderwijzers en mijn ouders wisten niet wat ik wilde. Op de Lagere Technische School hoorde mijn vader het zelfde geluid. Na de LTS wilde ik nog niet gaan werken, ik had daar nog geen zin. Ik wilde verder leren. Dat kon, maar eerst een toelatingscursus op zaterdagmorgen, natuur en wiskunde. Dat deed ik graag. Goniometrie afleidingen vond ik prachtig. Van een complexe goniometrische formule bleef na veel omzwerven dan sinα over, boeiend vond ik dat.
Na het slagen voor de cursus werd ik toegelaten op de UTS, Uitgebreide Technische School. Daar werd ik wakker, raakte geïnteresseerd door de mogelijkheden die je hebt om dingen naar eigen gedachten in te vullen. Op de LTS maakte je alleen maar na. Nu werd creativiteit gevraagd en het zoeken naar mogelijke oplossingen voor een situatie. Dat boeide mij zo dat ik slaagde als een van de beste. Mijn ouders wilden dat ik ging doorstuderen op de HTS. Ik vond dat ik lang genoeg op school had gezeten, was inmiddels twintig jaar geworden en had een vaste relatie. Voor de deur stond de dienstplicht. Lichting 65-5, oktober 1965 opkomen in de Tapijnkazerne in Maastricht. Na de basisopleiding werd ik instructeur onderofficier in Meppel. Hier heb ik geleerd dat les en leidinggeven boeiend is. Ik heb de dienst niet geweigerd. Als vanzelfsprekend ging ik de dienstplicht vervullen. Mijn minuscule bijdrage tot het in stand houden van onze vrijheid heeft mij niet doen twijfelen. Een vrijheid die toen niet zo vanzelfsprekend was. Ik was een aantal jaar eerder nog al onder de indruk geraakt van het filmmateriaal dat vrijkwam over de gebeurtenissen tijdens de tweede wereld oorlog, met namen de gebeurtenissen in Polen. De TV die toen in de kinderschoenen stond besteedde veel aandacht aan die tijd. Mijn vader vertelde mondjesmaat over zijn ervaring in het krijgsgevangenkamp. De diensplicht weigeren is niet in mij opgekomen.  
Lichting 65-5 is een referentiepunt in mijn leven. De dienstplicht betekende voor iedere jonge man een periode van ‘uit het maatschappelijke leven’ staan in die tijd. Ik was toen twintig jaar oud en moest ‘onder de wapenen’ voor een aantal maanden.  Eenentwintig maanden omdat ik aangegeven had er geen bezwaar tegen te hebben als een specialisatie werd aangeboden. Na een opleiding werd ik sergeantinstructie voor een periode van 16 maanden bij de 47 Pantser Infanterie Compagnie.
Tijdens een van de oefeningen in een bosomgeving hoorde ik, bij het patrouillelopen samen met een soldaat, plotseling in het kermende geluid dat aanhield. Bij het geluid aangekomen zagen we een soldaat naar beneden in een boom hangen aan één been, op ongeveer een meter van de grond. Het been was geklemd geraakt in een wig van twee takken, de overige lichaamsdelen waren vrij. Aan het gezicht van de soldaat was te zien dat hij behoorlijk pijn leed, de kleding was met bloed besmeurd en omdat de soldaat naar beneden hing was hij niet in staat om zichzelf te bevrijden. De hulppost was zeker een half uur lopen en we hadden geen radio bij ons. We probeerden hem gerust te stellen door te zeggen dat we hem niet zouden laten hangen en hem uit zijn benarde positie zouden verlossen en meenemen. In overleg met hem hebben we hem uit de boom getild, dat ging niet pijnloos zoals hij liet horen. Maar door te proberen hem gerust te stellen, dat de extra pijn ‘maar voor even is’, hebben we hem uit de boom gekregen en op de grond gelegd. Waar het bloed vandaan kwam konden we niet zien. We besloten om het been aan de bovenzijde beperkt af te binden. Daarna hebben we een brancard gemaakt van verzamelde boomstronken en takken, hem er op gelegd en zijn gaan lopen naar dichtstbijzijnde hulppost. Halverwege, na ongeveer 20 minuten lopen, kwam de pelotonsergeant uit de bebossing te voorschijn, we stopten. Hij vertelde ons dat de situatie geënsceneerd was en de gewonde soldaat sprong op van de brancard. De situatie was geënsceneerd om te onderzoeken hoe we zouden reageren en handelen in een dergelijke situatie. Zowel de ‘gewonde soldaat’ als de pelotonsergeant waren uiterst tevreden en gaven ons een compliment voor ons inleven, onze zorg en handelen in de gegeven situatie. Zij hadden alles gezien. Wij waren hoogst verbaasd, aangedaan en ‘boos’.
Een aantal weken later zij de pelotonsergeant tegen mij, terugkijkend op de situatie van de ‘gewonde’ soldaat, dat ik goed met jonge mensen om kan gaan. Hun goed aanvoel, op de juiste momenten hard en zacht ben, zij voelen dat ze met mij geen loopje kunnen nemen. ‘Zoek een werkkring waarbij je met jongen mensen samen kunt werken’, adviseerde hij mij.

Na mijn diensttijd ben ik in 1967 het bedrijfsleven ingegaan. Als tekenaar op de tekenkamer van een bedrijf dat hijskranen bouwde, de NKM, de Nederlandse Kraanbouw Maatschappij. In dat bedrijf had ik als stagiair gewerkt vanuit de UTS. Hijskranen trokken direct mijn aandacht en dat doen ze nog steeds. Gelijktijdig ben ik gaan studeren op de avondschool. Lerarenopleiding Hoger Beroepsonderwijs, akte NIV, Werktuigbouwkunde.  Een opleiding die de bevoegdheid geeft voor theorielessen werktuigbouwkunde op een LTS en werktuigbouwkundig tekenen. De opleiding duurde vier jaar en werd moeilijker geacht als de avond HTS die vijf jaar duurde. Het slagingspercentage was laag ongeveer 20%. Ik dacht dat lukt me wel. Ik slaagde als de beste van dat jaar, één zeven voor tekenen en voor de overige vakken achten en negens. Ik haalde daarna de pedagogische aantekening. Van je weet maar nooit en pedagogie en psychologie vond ik nuttig. Misschien is hier wel de aanzet gegeven voor de mijn jaren lange vraag en motivatie: ‘Waarom doe je wat je doet?’ Ik was toen niet van plan voor het onderwijs te kiezen. Zeker niet. Van mijn stage op een LTS, nodig voor de pedagogische aantekening, werd ik niet vrolijk. Het leergedrag paste niet bij mijn ambitie.
Na twee jaar op de tekenkamer als tekenaar van delen van hijskranen werd er een aankomend-staticus gezocht, een rekenaar die sterkteberekeningen voor constructies maakt, voor hijskranen. Ik wist niet wat het inhield, maar dat wilde ik. Na een gesprek was ik direct geboeid door de mogelijkheden die je had voor het verwerkelijken van eigen gedachten in constructies. Het rekenen paste bij mijn studie en omgekeerd. Het inzicht in constructies is in deze tijd ontwaakt. Onderlinge discussies maakte het vak boeiend. Dit pad zag ik al vrij snel als ‘de brug over het kanaal’. Je kunt zwemmen naar de overkant maar ook boven het water lopen over een brug. Lopen boven het water gaat sneller met meer overzicht en ontstaat meer inzicht. Als aankomend-staticus aangesteld verliet ik als staticus het rekenwerk en keerde terug naar de tekenkamer als groepsleider. Als groepsleider heb ik de laatste paar jaar bij dit bedrijf gewerkt. Je was verantwoordelijk voor het ontwerp en het optekening zetten van het product dat geproduceerd moest worden in de werkplaats. Dat waren kranen en divers hijs- en verhaal gereedschappen. Daarna ben ik dienst gekomen van een ander kraanbouwbedrijf, HMC, waar ik gedurende een aantal jaren tientallen kranen van klein tot zeer groot heb mogen ontwerpen en construeren. De kleinste met een bedrijfslast van 500 kg, de grootste met een bedrijfslast van 1.400.000 kg. Eerst als hoofd tekenkamer daarna als hoofd ontwerpbureau. Ik heb mooie dingen mogen maken voor ik toch in 1967 in het onderwijs terecht kwam, na twintig jaar bedrijfsleven. Als docent werktuigbouwkunde op de HTS, Hogere Technische School. Als docent voor de vakken tekenen en construeren van werktuigbouwkundige constructies. Van tekenonderwijs in het eerste jaar tot onderwijs in het op tekening gezette ontwerp van constructies in het vierde jaar. Daarnaast het begeleiden van stagiaires en afstudeerders.
Ook daar heb ik twintig jaar doorgebracht voordat vervroegd pensioen in 2007 een einde maakte aan mijn werken in de maatschappij. In het onderwijs heb ik gewerkt met jongeren van 17 tot 22 jaar, van jongeling tot jong volwassene. Overwegend jongens, meisjes kom je in de techniek niet zoveel tegen. Een enkel meisje in de werktuigbouwkunde. Dat is jammer, omdat je in de techniek op HBO niveau volledig tot kunt ontwikkelen komen op het creatieve, oordeelkundige, leidinggevende en technisch gebied. Techniek wordt helaas nog teveel gezien als vuile handen maken. De onderwijsorganisaties die ik heb meegemaakt zijn bijzondere organisaties in vergelijking met het bedrijfsleven. In het bedrijfsleven is de organisatie gebouwd rond het product dat gerealiseerd moet worden. De organisatie staat ten dienste van het product. Het product dat verkocht is moet naar wens van de klant geleverd worden op de afgesproken tijd. Zo niet, dan betaald de klant niet. ‘Wat leveren wij?’ De leiding bewaakt het productie proces, op effectiviteit. Het leveren van het product dat de klant wenst, tegen de laagste kosten. In het onderwijs staat de organisatie in dienst van de organisatie. Het product dat het onderwijs levert, onderwijs en opvoeding, staat niet op de eerste plaats. ‘Wat’ de student wordt aangeboden is ondergeschikt aan ‘hoe‘ de student onderwijs wordt aangeboden. ‘Wat’ wordt aangeboden staat in het teken van de beroepsuitoefening, wat de student wil leren. ‘Hoe’ wordt aangeboden in teken van het onderwijsmodel, hoe de student leert. De leiding bewaakt het onderwijsproces, op efficiëntie. ‘Hoe’ het onderwijs wordt aangeboden staat in het teken van een zo kort mogelijke doorlooptijd van de student. De leiding wordt door de overheid beloond voor een korte doorlooptijd van de student. Wat de student leert is van een lagere orde. Aanpassingen van de organisatie voor onderwijsverbetering, staan dan ook altijd in het teken van: ‘Hoe bieden wij onderwijs aan?’, nooit in het teken van: ‘Wat leert de student?’ Want het onderwijs wordt niet gecorrigeerd door de klant, de student. De overheid betaalt. De directe financiële invloed van de student op de onderwijsorganisatie is te verwaarlozen. Het bedrijfsleven kijkt naar het product, hoe de markt hierop reageert, hoe dat tot stand komt en reflecteert naar het product. Het onderwijs kijkt naar de organisatie, hoe de organisatie bureaucratie werkt, de doorstroomsnelheid van de student, accreditatie door derden en reflecteert hierop. Het bedrijfsleven is gericht op de buitenwereld. Het onderwijs is gericht op binnenwereld.

Zoals verteld werd ik wakker op de UTS, bewust van het creatief kunnen sturen van het ontwerp. Ik kan mij herinneren dat ik verbaasd en geboeid raakte bij het ontwerp en berekening van een bordesje. Een werkbordesje was een ontwerp en construeer opdracht op school. Hoe je naar eigen inzicht de bordesbelasting uit personen en een last van 250 kg op verschillende manieren kunt afvoeren naar de vaste wereld trok mijn belangstelling. De verschillende manieren van belasting afvoeren deden ook verschillende draagconstructies ontstaan. De vraag rijst dan: Wat is de beste? Wat past het beste bij de vraag en is het goedkoopste bij het produceren en monteren? Dit soort vragen paste kennelijk bij mijn natuurlijke capaciteiten, want ik raakte geboeid. Dit soort vragen hebben jaren mijn denken bepaald. De creatieve vrijheid als ontwerperconstructeur maakte mij wakker in een richting van: ‘Dit wil ik leren en doen.’ Daar wilde ik mij in ontwikkelen, zelf dingen bedenken en bouwen. Daar wilde ik alles van weten en kunnen. Tijdens een ouderavond op de UTS was mijn vader dan ook zeer verbaasd dat hem de vraag gesteld werd: ‘Wat komt u doen? Het gaat uitstekend met uw zoon.’ Dat was voor het eerst. Hij heeft het nog regelmatig verteld. Het bordesje bracht mijn eerste grote bewustzijnsimpuls: ‘Dat wil ik!’
Mijn tweede bewustzijnsimpuls, of misschien wel de eerste, kwam ook in die tijd tijdens de dansles. Samen met mijn zusjes op dansles. Seizoen 1963-1964. Ik was achttien jaar, mijn zusjes zeventien en zestien. Klassieke dansles bij Cor Zegers in Utrecht, foxtrot, Engelse wals, rumba en dergelijke.  Een blond meisje uit een dorpje in de omgeving trok mijn aandacht. We dansten vaak samen op de dansles, maar daar hield ze het bij. De aanhouder wind ook hier, waardoor we meer belangstelling voor elkaar kregen. Mijn aandrang kon ze tenslotte niet weerstaan. Na een paar jaar vroeg ik haar tijdens een wandelingetje: ‘Zullen we het samen gaan proberen? Iets van proberen te maken? Ik denk dat we wel bij elkaar passen.’ We trouwden in 1969. We hebben twee kinderen een zoon en een dochter. De dochter bracht het eerste kleinkind de schoondochter de tweede. Een kleinkind is prachtig. Voor nageslacht ben je geboren. Eind 2009 zijn we veertig jaar getrouwd. We hebben een goed leven gehad, nog steeds en passen bij elkaar. Onze naturen passen bij elkaar en we zijn daardoor op elkaar in gespeeld in de jaren. Waarbij onderling respect en elkaar vrij laten in doen en laten de relatie verstevigde. Ik weet niet wat houden van is. Misschien wel dit. Ik zou haar zo weer kiezen. Maar het spreekt vanzelf dat we beiden situaties hebben meegemaakt, dat als we onze onderbuikgevoelens niet konden sturen, die niet tot een veertig jarig huwelijk hadden geleid. We weten allebei dat het normale leven na drie maanden spelletjes, transpiratie en in de wolken leven weer begint. Je staat dan weer met beide beentjes op de grond. De benen zijn dan beentjes geworden, want als er een schaap over de dam is… We hebben er naar gestreefd te zorgen voor een goed thuiskomen en thuis zijn, zodat er niet gezocht hoefde te worden.
De derde  bewustzijnsimpuls kwam bij de NKM, de brug. De ontwikkeling van werktuigbouwkundig tekenaar, staticus – brug over water- tot groepsleider heeft de basis gelegd tot mijn verzelfstandiging in eigenverantwoordelijkheid. Waarbij de bedrijfsleider voor mij een voorbeeldfiguur was. Mijn vader was overleden in 1971. Je zoekt dan onbewust een voorbeeld een ‘vader’. Deze heeft mij ook verzocht te solliciteren bij een kraanbouwbedrijf waar hij was gaan werken in het zuiden van het land, als hoofd tekenkamer. Daar ben ik aangenomen. Hier heb ik mij kunnen ontwikkelen tot zelfverantwoordelijk ontwerper en constructeur van hijskranen, waar het leiding geven zich aandiende. Dat was een harde leerschool. De hardheid van het leven kwam mij eerst hier volledig voor de geest. Luid en duidelijk zonder omhaal verantwoordelijk gesteld worden, oplossingen onder hoge druk en  spanning in zeer korte tijd bedenken, was nieuw voor mij. Ik stond er alleen voor, voelde die verantwoordelijkheid. Het was een zware harde tijd met vele werkweken van 60 tot 80 uur. Ik was verantwoordelijk voor ontwerp en constructie en moest de tekenaars voor blijven met ontwerpen en voorgeconstrueerde constructies zowel machinebouw als constructiebouw. Dat heeft mij uiteindelijk gevormd tot het volwassen in het leven staan. Ik heb hele mooie kranen mogen ontwerpen en construeren. Na twintig jaar heb ik het bedrijfsleven verwisseld voor het onderwijs. Ik was inmiddels tweeënveertig jaar geworden. De hoge werkdruk, de spanningen, de angst voor een faillissement, werkloosheid richtte mijn aandacht al enkele jaren op het onderwijs. Ik dacht weleens: Zo wordt ik nooit 65. Niet op het LBO maar op HBO meende ik een steentje te kunnen bijdragen en dat lukte in 1987. Eerst in ’s Hertogenbosch op de HTS en een paar jaar later in Breda, Avans Hogeschool, omdat Breda dichter bij onze woonplaats ligt, wij niet wilde verhuizen en het verkeer op de snelweg in die tussentijd beduidend drukker was geworden. Ook in het onderwijs heb ik twintig jaar gewerkt. Het werken met studenten en het lesgeven was in het begin wennen. Werktuigbouwkundige tekenles geven aan 120 studenten in de gymzaal was niet eenvoudig. Extensivering had haar intrede gedaan in het onderwijs. Maak onderwijs dat weinig kosten eist, door het te geven aan grote groepen. Je verhaal doen ondersteund met handgeschreven sheets weergegeven door een overheadprojector veroorzaakte de eerste weken veel oksel vocht. Minder transpiratie maar veel boeiender was de begeleiding van vierdejaars studenten bij constructieopdrachten, het ontwerpen en construeren van werktuigbouwkundige constructie zoals: een hefbrug voor auto’s, weegbrug, positioneersystemen. Na ruim een jaar werd ik gevraagd plaatsvervangend studierichtingsleider te worden. Ik was terughoudend omdat ik nog kort in het onderwijs zat. Na wat rondgevraagd te hebben, waarom ik daar wel geschikt voor was, vanwaar die eer, ontstond een uiterst positief beeld van mijn kunnen. Later bleek het waarom. Ik was jong in het onderwijs, een jonge hond en nog niet bedorven. Maar al snel werd ik gewaarschuwd door een adjunct-directeur. ‘Ik heb je leren kennen, je doet het goed. Maar pas op, doe het niet te lang!’ Toen ik zijn opmerking begreep verdween de ambitie. Ik heb het een paar jaar gedaan. Mijn leidinggevende werkzaamheden waren nagenoeg uitsluitend gericht op het in stand houden van de bureaucratische machinerie rond de onderwijsuitvoering. Het ‘hoe’ van het onderwijs. Leidinggeven is voor mij altijd meer geweest. Centraal staat het product. Een product afleveren waar de ontvanger, het bedrijfsleven, en de brenger, de student, zelf zeer tevreden over is. Daaromheen het personeel helpen, zodat zij effectief en efficiënt hun taak uit kunnen voeren. Dat is leiding geven gericht op de student.
Na drieënhalfjaar ben ik naar Breda gegaan. Niet omdat ik weg wilde uit ’s Hertogenbosch maar het verkeer had zich in die tijd bijna verdubbeld. Ik dacht toen: ‘Hoe zal dat er over tien jaar uitzien?’ Ik had veel plezier in mijn werk gekregen zowel het lesgeven als leidinggeven. Ik had daarin mijn gedachten kunnen verwerken. Maar nog twintig jaar werken kan misschien dichter bij huis. Ik was wel bang dat ik de werksfeer die we hadden ontwikkeld erg zou missen. Bij mijn vertrek zij een collega in de wandelgangen: ‘Hoe moet dat nu verder? Het ging eindelijk eens goed.’ Aardig dat te horen. Ik ben naar Breda gegaan en heb nooit spijt gehad. In Breda kreeg ik de mogelijkheid theorielessen te geven. College in de werktuigbouwkunde in alle vier de schooljaren, betekende theoriedocent constructietechniek en het begeleiden van studenten tijdens het afstuderen, later werd dat Hogeschooldocent. Dat was de eerste jaren zwaar. In die tijd werd er nog praktijkles en theorieles ontwerpen en construeren gegeven in alle vier de schooljaren. De laatste jaren meer in de vorm projecten samen met het bedrijfsleven. Waar het te ontwerpen product: ontworpen, geconstrueerd, berekend en op tekening gezet moet worden. Het te leveren product wordt dan: een rapportage van het ontwerp en een set werktekeningen zodat het ontwerp geproduceerd kan worden.
In het eerste leerjaar is de aansluiting in de techniek voor de HAVO student een grote overgang. Hem wordt vakonderwijs aangeboden door vaklieden. Dat is nieuw. De nieuwe student zoekt, vraagt zich af: Past dit wel bij mij? Zijn technisch gevoel wordt aangesproken. Voelt hij van nature wel aansluiting? ‘Is dit wat ik wil’, hoort de student zich regelmatig af te vragen .
In het vierdeschooljaar is de zelfmotivatie tot het vastbijten, doorgronden en doorleven in het ontwerp en constructie niet vanzelfsprekend. Het begeleiden vraagt dan een bedrijfsmatige ingestelde begeleider. Waarbij hij zijn verantwoordelijkheid tot het juist begeleiden in de richting van de latere werkkring niet uit de weg mag gaan.
Na een paar jaar ging ik ook coördinerend werk verrichten voor de opleiding. De laatste jaren heb ik gewerkt in de propedeuse van de academie. De propedeuse was weer eens vernieuwd en nieuw opgezet voor de gehele academie bestaande uit vijf opleidingen. Ze had behoefte aan versterking. Er was veel commentaar op het inhoudelijke, het wat, en het functioneren, het hoe, van de propedeuse. In de propedeuse was niet breed gedragen onderwijsvernieuwing doorgevoerd en stond in de kinderschoen. Het uitgangspunt was een algemene goedkope propedeuse. Mijn werkzame leven in de onderwijs liep richting vervroegd pensioen en ik dacht: ‘Misschien kan ik nog wat betekenen.’ De inhoudelijke vernieuwing was langs mij en anderen heengegaan omdat ik al een paar jaar geen les meer gaf in de propedeuse. Alleen in de hogere jaren, stage, afstuderen en coördinerend werk. Ik wist niet wat me te wachten stond maar ik dacht: dat lukt me wel. Na een paar weken merkte ik dat de studenten het onderwijs dat ze volgden maar matig boeide. Uit opmerkingen van studenten bleek dat het niet zo moeilijk was een voldoende te scoren en zo de studiepunten te vergaren. Doordat het onderwijs niet boeide konden ze er geen plezier in vinden, vonden het aangeboden onderwijs saai. Het gemak waarmee een voldoende gescoord werd kon ze maar moeilijk motiveren tot meer doen dan het aller noodzakelijke. Dat verraste mij en bracht mij weer tot de vraag: ‘Waarom doen mensen wat ze doen?’ Het scoren van een voldoende was voldoende. De studie volgen ging vanzelf, terwijl wat ze deden maar matig kon boeien. Wat is hier gaande? Het bedrijfsleven zit niet te wachten op werknemers die het niet interesseert wat ze doen. Zij maken te gemakkelijk fouten en doen te weinig hun best tot het realiseren van het juiste product. Ik ging individueel en in groepjes met de studenten in gesprek. Ik wilde er achter komen wat hen er toe bracht de opleiding te vervolgen terwijl ze het aangebodene niet echt interessant vonden. Ik kwam er achter dat het eerste jaar waarschijnlijk even wennen is: ‘Later wordt het beter!’ Dat vond ik veel te weinig. Maar wat kan de eerste jaar student wel boeien? Daar ging ik naar op zoek. Dat wilde ik weten. Ik ging daar naar op zoek door de studenten te vragen naar dat wat ze graag wilden doen. Welke kenmerken spelen daarbij een rol?
Dat werd mijn vierde bewustzijnsimpuls.