4  Menselijke motieven

Het soort werk maakt niet uit, als het maar leuk, uitdagend en spannend is,’ las ik een tiental jaren geleden in een artikel over; “Redenen waarom jonge mensen solliciteren op een vacature.” Ik dacht toen in een flits: zo moeten wij onderwijs maken! Waarom ik meende en nog steeds meen om zo onderwijs te maken heeft nog een paar jaar geduurd eer het mij duidelijk werd, tot ik mij ging verdiepen in de filosofie.
In die tussentijd had ik een voordracht gehouden voor collega’s, die bracht meer vraagtekens dan erkenning; Waar gaat het over?, stond op de voorhoofden. Vooral vanwege de metafoor die ik voorhield: ‘Ons onderwijs kun je vergelijken met The Wall van Pink Floyd, gesloten en docent bepaald. Volgens mij zou je het onderwijs open moeten maken door samen met studenten via Teach your children, van Crosby Stills Nash & Young, te komen tot Hotel California, van The Eagles. Een open omgeving waar het fijn is om je in te zetten tot bedenken en bouwen van dingen, zomogelijk in samenwerking met het bedrijfsleven.’
Mijn verdieping in zowel de oosterse- als westerse filosofie vormde en vormt mijn gedachte zodanig dat het voor mij steeds duidelijker wordt, beter voor de geest komt, dat leuk, uitdagend en spannend alledaagse woorden zijn voor het menselijk existeren. De woorden geven op een heldere wijze weer wat het kenmerk van de woorden zo eigen is. Omdat ze alledaags, triviaal zijn worden ze misschien niet gezien alhoewel ze wel ‘erkend’ worden door studenten met: ‘Als, dat eens mogelijks is!’ Dat is mogelijk, omdat wij onze omgeving en onszelf kunnen beïnvloeden.

De levende mens
Hoe het leven in de kosmos is ontstaan weten we niet. Wetenschappers trachten al gissend en missend een verklaring te vinden. Het zal nog vele decennia duren voor we als mens hierover met zekerheid iets kunnen zeggen, het kan ook voor ons verborgen blijven. Dat is misschien het beste want zodra, wetenschappelijk, mensenleven gekend wordt manipulaties en kloning zonder moraal zouden kunnen plaatsvinden en misschien zelfs gemeen goed worden.
Dat we bestaan weten we wel. Er is leven op deze wereld. Leven ontstaan door combinatietoeval of gevolg van inslag uit ruimte, feit is, dat het is. Leven in de vorm van micro-organismen, vegetatie, dierenwereld en dat al wat leeft wil blijven leven.
       Overal in de natuur kunnen we de strijd waarnemen die het leven voert om te blijven leven en leven door te geven. Die uitbreiding vindt zowel bij plantaardige organismen als bij dierlijke organismen plaats. Bij planten zien we regelmatig nieuwe scheuten en bladeren ontstaan soms op plaatsen waar we die zeker niet hadden verwacht. Als de tuin omgespit is en er weer plantloos uitziet, zien we nieuwe scheuten ontkiemen op plaatsen waar we gehoopt hadden dat die verwijderd waren. Dieren geven het leven vaak periodiek door, veelal in voor- en of najaar. Zodra het leven bij de dieren is doorgegeven heeft de schenker en ontvangster de periodieke taak vervuld en vervolgt ieder het leven, de ‘taak is volbracht’.
Als de natuurlijke tijd zich aankondigt vindt herhaling van de doorgeeftaak plaats, omdat de wil tot leven het dier appelleert aan de doorgeeftaak van leven, het verwekken van nieuw leven. De enige reden van bestaan? Het mannelijke, vrouwelijke, is geëvalueerd tot verwekken van nieuw leven?
Sommige diersoorten moeten een zeer harde strijd voeren om de doorgeeftaak te vervullen. Paling, aal, zwemt duizenden kilometers om op de paaiplaats te komen, de Sargossa Zee bij de Bermuda-eilanden. Aallarven worden geboren en groeien tot glasaaltjes waarna, naar men aanneemt, de oudere dieren sterven en de jongeren teruggaan naar hun oorspronkelijk leefgebied, met in hun zog de glasaaltjes. Als de tijd daar is, gaan ze de zwemtocht weer aanvangen omdat de doorgeeftaak zich aankondigt.
Dat die doorgeeftaak met zware strijd gepaard gaat en soms niet overleefd wordt kunnen we zien bij de spin, de zwarte weduwe. Vooral het (kleinere) mannetje van de zwarte weduwe is dikwijls het slachtoffer van de gevaarlijke beet van het vrouwtje. Na de paring moet hij zich snel uit de voeten maken om te voorkomen dat zijn partner haar naam eer aan doet.
       Ook bij de mens komt de wens tot het vervullen doorgeeftaak soms tot uiting in een plotselinge intuïtieve drang, een weten van bij elkaar willen zijn in een flits, tussen onbekenden. Een ondefinieerbare intieme aantrekkingskracht van bij elkaar horen een uiting van onze intiemste intuïtieve drijfveren, onze hartstochten. Aantrekking van wederzijds gevoel tot voltooiing, waarin het uiten van de doorgeeftaak zich geleidelijk versmelt met de grotere dronkenschap van, met z’n tweeën één voor altijd, een eenheid een geheel.
Om het leven in stand te houden, wil tot leven, en uit te breiden beschikt het leven over de levenswil. Deze levenswil is een deel van het levende lichaam. Het levende lichaam zonder levenswil bestaat evenmin als een levenswil zonder het levende lichaam. De unieke diersoort mens heeft daarbij ook nog de zo unieke geest kunnen ontwikkelen, waardoor deze diersoort mens zo uniek is in de kosmos, naar wij denken. Deze niet waarneembare menselijke geest is zo uniek omdat zij zich alleen bij de mens manifesteert. De levende mens bestaat dus, naar mijn mening, uit het levende lichaam, waarneembaar, een levenswil en een levende geest, ‘niet’ waarneembaar.
Deze drie kenmerken heeft alleen de levende mens, in deze wereld, tot nu. Welke van de drie kenmerken oorzaak en gevolg zijn, ligt in analogie met de kip en het ei. Overleven is mogelijk met een ontwikkelde levenswil in het levende lichaam. ‘Leven’ is mogelijk met een ontwikkelde levende geest. Deze drie kenmerken van leven bestaan niet gescheiden van elkaar, staan niet op zichzelf. Zij kunnen dus niet als zuivere verschijnselen gekend worden. Het levende lichaam, de levenswil en de levende geest, zijn gesynthetiseerd tot een eenheid, de eenheid mens, als uniek verschijnsel in de wereld. Deze kenmerken onderkennen maakt het mogelijk de mens te kennen, te begrijpen. Als we duidelijker zien, waarom geschied wat geschied, in het verleden en heden kunnen we de toekomst zuiverder vóórzien, overleven. ‘Ken uzelf’. Dit is de basis voor verandering, omdat de mens geen stap zal verzetten in een richting waarvan hij weet dat zij afgesloten is.

Deze drie kenmerken zijn door de eeuwen heen op verschillende wijzen verwoord. De drie kenmerken zijn andere woorden voor leuk, uitdagenden spannend, je kunt ze vertalen als huidige uitdrukkingen voor woorden die bekend zijn in de Oosterse en Westerse filosofie.
In de zomer van 2004 kocht ik ‘De Staat” van Plato, een gebruikte versie, in Dordrecht. Hierin las ik de drie hoofdkarakters van de geest, namelijk: begeerlijke, dappere en wijsgerige. Dit was voor mij de eerste ‘duiding.’ Daarnaast had ik verhandelingen over Oosterse filosofie en Japanse filosofie gelezen. In het najaar van 2004 begon ik verbanden te zien, zo meende ik en meen ik nog steeds.
Onderstaand enkele verwoordingen, eerst vanuit de westerse filosofie en daarna de oosterse filosofie, omdat Plato de deur voor mij opende. Zij zijn niet bedoeld als een bewijs, maar als herkenning.
Onder elk citaat heb ik aangegeven wat volgens mij de benoeming is die overeenkomt met de drie kenmerken:

LL;   Levende Lichaam ;    Leuk
LW; Levenswil ;               Uitdagend    
LG;  Levende Geest;        Spannend

 

 

 

Westerse filosofie

De Staat [17]
“Daar de ziel van iederen individueelen mensch, evenals we den staat in drie elementen hebben onderscheiden, in drie factoren kan ontbonden worden, […]. ’t Komt me voor, dat elk van de drie factoren één genoegen kan smaken, dat als het eigenaardige van elken factor kan beschouwd worden; elke factor heeft tevens zijn begeerte en wijze van heersen.”
“De eene factor, zeiden we, is die, waarmede men leert [wijsheid-lievend], de andere, waardoor het dappere [twistziek en eerzuchtig] in ons gewekt wordt, den derden konden we om zijn gemengden aard geen bepaalden naam geven, maar we noemden hem naar zijn grootste en krachtigste vermogen. We gaven daaraan den naam van ’t begeerlijke [geld- en windzuchtig], wegens de heftigheid van zijn verlangen naar eten en drinken, naar bevrediging van wellust en van wat daarmee gepaard gaat; (we gaven hem ook den naam van) geldzucht, omdat dergelijke begeerten het meest door geld bevredigd worden.”
LL;  ‘begeerlijke’
LW; ‘dappere’
LG; ‘wijsgerige’

Ethica [18]
‘Zowel wanneer de geest heldere en onderscheiden ideeën heeft als wanneer hij verwarde ideeën heeft, streeft de geest voor een onbepaalde tijdsduur naar de voortzetting van het zijn en is zich van dit streven bewust.
Commentaar: Wanneer dit streven uitsluitend met de geest in verband staat, noemt men dit wil; heeft het betrekking op zowel de geest als het lichaam, dan heet het aandrift. Deze is dus hetzelfde als het wezen van de mens, uit wiens natuur noodzakelijk voortvloeit wat tot zijn instandhouding dient. Er bestaat verder geen verschil tussen aandrift en begeerte, behalve dat begeerte meestal betrekking heeft op mensen die van hun aandrift bewust zijn. We kunnen daarom begeerte definiëren als een aandrift samen met het bewustzijn ervan. Uit dit alles blijkt, dat wij niets nastreven, willen, verlangen of begeren omdat wij van mening zijn dat het goed is. Integendeel, wij zijn van mening dat iets goed is omdat wij het nastreven, willen, verlangen en begeren.’
LL;  ‘instandhouding van lichaam’
LW; ‘streven van geest en lichaam’
LG;  ‘streven van de geest’

Bespiegelingen over leven en liefde [19]
‘De wijsgerige anthropologie, of zoals ik liever zeg, de kennis omtrent de mens, heeft een punt van behandeling voor zich dat door niemand nog is aangeroerd en dat beloften te over inhoudt om ons aan te sporen het ter hand te nemen. […] De eerste stap daartoe is de schets van een topographie van de grote gebieden of regionen van onze persoonlijkheid. Het komt mij voor dat men er op zijn minst drie dient te onderscheiden, wier grenzen en gesteldheden elkaar nader verklaren. Een dezer gesteldheden is dat deel van onze psyche dat met ons lichaam is samen gesmolten, dat een onscheidbaar stuk ervan is geworden. Elders zeide ik ervan: “Deze lichamelijke ziel, deze basis en wortel van onze persoonlijkheid, moeten wij ‘vitaliteit’ noemen, want in haar zijn lichamelijke en het psychische een werkelijke eenheid geworden, en niet alleen komen deze twee in die vitaliteit samen, maar zij vinden daarin hun bron. Ieder van ons is allereerst een vitale kracht, deze moge groter of kleiner, uitbundig of gebrekkig, gezond of ziek zijn. De rest van ons karakter is afhankelijk van wat onze vitaliteit is.” Dit nu is geen veronderstelling of een theoretische beschouwing, het is een verschijnsel, een feit.’
LL;  ‘lichaam’
LW; ‘ziel, vitaliteit’
LG; ‘geest’

Sartre [20]
‘Volgens ons wordt de mens in de eerste plaats gekenmerkt door het feit dat hij een situatie transcendeert, door wat hij kan maken van wat men van hem heeft gemaakt, zelfs als hij zich nooit herkent in zijn objectivering. Dit transcenderen van de situatie is de wortel van al het menselijke, in de eerste plaats van de menselijke behoefte. […] Zelfs het meest rudimentaire gedrag moet bekeken worden, niet alleen in relatie tot de reële, aanwezige factoren waardoor het wordt bepaald, maar ook met betrekking tot een toekomstig doel dat het tracht te verwezenlijken. Dit noemen we het ontwerp (project). […] Zo in het veld van de mogelijkheden het doel, in de richting waarvan de handelende mens zijn objectieve situatie overschrijdt. En dit veld is op zijn beurt weer strikt afhankelijk van de maatschappelijke en historische werkelijkheid. […] Maar al deze objectiviteit komt ten slotte voort uit de concrete werkelijkheid’. Doorslaggevend blijft dat de realiteit ‘geleefde realiteit’ moet zijn, zodat de materiële omstandigheden tot voorwaarden van de eigenlijke praxis kunnen worden. ‘Maar al deze objectiviteit komt ten slotte voort uit de concrete werkelijkheid.’
Drie kenmerken bepalen het project;

Karakter in de jeugd gevormd
Veld van de middelen, ‘Dit ontwerp heeft zin, …’
Het doel van zo’n project

‘De doeleinden van menselijk handelen [zijn] geen mysterieuze entiteiten die als garnering aan de handeling zijn toegevoegd. […] Ze vertegenwoordigen eenvoudig de overschrijding en het behoud van het gegevene in een handeling die zich vanuit het heden naar de toekomst beweegt.’
LL;  ‘rudimentaire gedrag’
LW; ‘objectieve situatie overschrijdt’
LG; ‘ situatie transcendeert’

Schopenhauer [21]
‘Ondanks de verwantschap van de serene aanschouwing van het schone wordt de ontkenning van de wil niet langs esthetische weg bereikt. Die wordt in de eerste plaats bereikt door een heilig leven, een leven waarin rechtvaardigheid en filantropie het gevolg zijn van het inzicht dat egoïsme, individuatie en de hele wereld van verschijnselen een soort illusie zijn. De kennis dat alle dingen ‘op zichzelf’ hetzelfde zijn leidt tot een opgeven van het egoïsme en een omarming van al het lijden als het eigen lijden. Dit ‘inzicht in de totaliteit’ gaat dan als ‘quiëtief werken op het willen’ en keert de wil tegen zijn eigen natuurlijke toestand van zelfbevestiging. […] Schopenhauer wijst op talloze ervaringen en praktijken die volgens hem beantwoorden aan deze beschrijving van de zelfontkenning:

Quiëtisme (het opgeven van alle willen), ascese (het opzettelijk doen afsterven van de eigen wil), en mystiek ( het besef dat het eigen wezen samenvalt met dat van andere dingen, of met de kern van de wereld), deze drie houdingen hangen ten nauwste met elkaar samen; wie zich voor een van deze drie uitspreekt, zal geleidelijk ook de andere moeten aanvaarden, ook al was hij dat misschien niet van plan. Niets is verrassender dan de onderlinge overeenstemming van de schrijvers die deze houdingen uitdragen, ook al leven ze in heel verschillende tijden en landen en hangen ze heel verschillende religies aan.’
Tegendeel van zelfbevestiging, dus zelfontkenning
LL;  ‘Ascese’
LW; ‘Quiëtisme’
LG;  'Mystiek’

Oosterse filosofie

Het KRSNA boek [22]
‘Akrura bad verder ( tot Krsna de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods): “O Heer, de hele wereld is vol van de drieërlei aard der stoffelijke natuur, te weten goedheid, harsttocht en onwetendheid. Iedereen in deze stoffelijke wereld is door deze geaardheden omhuld, van Heer Brahma tot en met de niet-bewegende planten en bomen. O Heer, ik breng U mijn eerbiedwaardige eerbetuigingen, omdat U Zich buiten bereik van de drie geaardheden bevindt. Iedereen behalve U wordt meegesleurd door de golven van deze geaardheden.”

Bhagavad Gita Zoals Ze Is. [23]
Begoocheld door de drieërlei aard der stoffelijke natuur (goedheid, hartstocht, onwetendheid), is de gehele wereld onbekend met Mij [Krsna], die boven de geaardheden ben en onuitputtelijk.
De gehele wereld is in de ban van de drie geaardheden der stoffelijke natuur. Degenen die begoocheld zijn door deze drie geaardheden kunnen niet begrijpen dat er, ontstegen aan deze stoffelijke natuur, een Opperheer, Krsna, is. In deze materiële  wereld bevindt iedereen zich onder de invloed van deze drie guna’s en is hierdoor begoocheld.
LL;  ‘Tama-guna’, Onwetendheid, komt tot dwaasheid
LW; ‘Rajo-guna’, Hartstocht, komt tot verdriet
LG;  ‘Sattva-guna’, Goedheid, komt tot werkelijke kennis

Boeddhisme [24]
‘Een van de belangrijkste onderscheidingen is wellicht die van de ‘Vier visionaire verschijnselen van het hoogste overstijgen’. Deze vier passeren in het fragment kort de revue in ı.ı-4, opgesplitst naar de drie schematisch onderscheiden gebieden van menselijke activiteit; lichaam, spraak en geest (een traditioneel onderscheidt in boeddhisme en Bön; dingen die je doet, zegt en denkt).’

LL;  Lichaam, Doen
LW; Spraak, Zegt
LG;  Geest, Denken

Taoïsme [25]
‘Iemand wiens kennis toereikend is om één ambt te bekleden, wiens gedrag niet moet onderdoen voor dat van zijn streek, wiens deugd hem in staat stelt zich aan één heerser te binden, en die in één staat een ambt krijgt aangeboden, zo iemand zal op precies dezelfde manier tegen zichzelf aan kijken. Song Rongzi zou er geamuseerd om lachen. Als de hele wereld hem op handen droeg, deed hij niet harder zijn best; als de hele wereld hem afkeurde, kwetste hem dat geenszins. Hij hield innerlijk en buitenwereld strikt gescheiden en kende duidelijk de scheidslijn tussen roem en oneer. Daar hield hij het ook bij. Hij maakte zich geheel niet druk om de wereld, en toch waren er ook dingen waar hij niet toe in staat was. Liezi bereed de wind om te reizen. Prachtig, hoe hij zich zo vederlicht kon bewegen! Het duurde vijftien dagen vooraleer hij terugkeerde. Hij maakte zich in het geheel niet druk om zijn fortuin. Alhoewel hij zich het lopen kon besparen, was hij toch nog altijd van iets afhankelijk. Stel dat hij de ware natuur van hemel en aarde had bereden en de veranderingen van de zes energieën had bestuurd, om zo door het onuitputtelijke te gaan zwerven. Waar zou hij dan nog van afhankelijk zijn geweest? Daarom zeg ik: de volmaakte mens is zelfloos, de goddelijke mens is verdiensteloos, de wijze mens is naamloos.’
Tegendeel van zelfbevestiging, dus zelfontkenning
LL;  ‘Zelfloos’
LW; ‘Verdiensteloos’
LG;  ‘Naamloos’

Iki, Japan [26]
‘Van innerlijk standpunt bekeken is het eerste kenmerk van iki de koketterie met het andere geslacht. Koketterie geeft in zekere zin een noodzakelijke voorwaarde voor iki aan. Wat nu is koketterie? Ze bestaat uit een dualistische houding van dat eendimensionale zelf dat zich verplaatst in een ander geslacht tussen zichzelf en dat andere samenvoegt. […] Het tweede kenmerk van iki is de moed, de trots. In iki, zijnswijze als bewustzijnsverschijnsel, spiegelt zich duidelijk het morele ideaal van de Edo-cultuur. (…) In iki moet de ‘heldhaftige bezieling van Edo’, het ‘uitdagende op het gebied van de erotiek’ aanwezig zijn. […] Het derde kenmerk van iki is het bewust afzien. Het is de gelijkmoedigheid waarmee men in de wetenschap van het noodlot van de [hartstochtelijke] gebondenheid [aan een object van begeerte] heeft afgezien. Iki vereist een zeker raffinement. Er moet een eenvoudige, heldere en elegante gewaarwording zijn.’
LL;  ‘Afzien’
LW; ‘Trots’
LG; ‘Koketterie’

Odyssee van het Zelf [27]
‘Vasishtha, de leermeester van Rama, biedt een basisplan; volgens dit basisplan moet de zoeker naar zelf-realisatie eerst de volkomen onwerkelijkheid van zijn eigen individualiteit en objectieve wereld beseffen en aanvaarden. Hij moet de gedachte dat deze werkelijk zijn laten varen. De zoeker moet binnen zichzelf -door zijn eigen eindigheid constant te ontkennen- de sterke overtuiging opbouwen dat hij ‘oneindig’ is- want ‘je wordt, wat je je zelf verzekert dat je bent. […] Dat wat door onwetendheid als werkelijk werd beschouwd verdwijnt, als de ware kennis wordt bereikt.’ […] Hij legt de nadruk op de controle over alle zijwegen van de geest door filosofische gedachten, het opgeven van verlangens en van het ego en het belangrijkste van alles, verzaking.’
Zelfrealisatie, tegendeel van zelfbevestiging
LL;  ‘Verzaking’
LW; ‘Verlangenloosheid’
LG;  ‘Egoloosheid’

Wat is dat sterk afwijzen van ‘het vol zijn van de drieërlei aard der stoffelijke natuur’, in de Vedische geschriften en andere delen in de oosterse filosofie? Het streven naar het zich buiten het bereik houden van de ‘drie geaardheden?’ Is het de oerangst dat de mens niet mag ‘leven’, door een evenwichtig streven naar invulling van de drie levenskenmerken? Een oerangst die ingeval van ‘leven’ leidt tot lijden, omdat de mens niet standvastig genoeg is ‘leven’ te bestendigen? De angst voor het aardse ‘geluk,’ om daar in te vervallen? Dat zou niet mogen, lichamelijke, bevrediging is te gemakkelijk? Het kan niet gemakkelijk zijn ‘het leven’, het moet moeilijk zijn. Aardse bevrediging leidt tot onhebbelijkheden, haat, zwakte. Vraatzucht neigt naar hebzucht, enzovoorts.
Is het misschien gegeven als sleutel tot overleven, omdat ‘het leven lijden’ is? Zodat een mens om te kunnen leven een geloof in een ‘beter leven’ na het aardse kan bereiken door de drie geaardheden te verdringen. Verzaking van het aardse naar toewijding aan dat wat niet gekend kan worden, waardoor zich een binding kan manifesteren van hopen op en geloven in het mystieke, daardoor onderdanigheid en onderworpenheid? In analogie met een dwangneurose, waar verdringing van haat leidt tot overmatige bezorgdheid.

Over een zoeken naar zelfbevestiging wordt overwegend in de westerse filosofie geschreven, terwijl over zelfrealisatie overwegend in de oosterse filosofie wordt geschreven. De drie kenmerken van leven, elk in hun eigen context, kunnen herkend worden.

Behoefte van de drie levenskenmerken
De levenswil, die de mens dwingt zich zelf in stand te houden, vraagt activiteit van het lichaam en geest om dat te realiseren. Soms vraagt het bevredigen van de levenswil zware strijd om te overleven, maar soms ook eenvoudige handelingen. Het verstand wordt gepijnigd om in benarde situaties een overlevingsstrategie te bedenken. Het levende lichaam voert de bedachte strategie uitvoeren en gaat de strijd aan. De levenswil dwingt lichaam en geest te strijden om te overleven, en levert daar de dapperheid en moed voor.
De levende geest, geeft leiding in het vinden van oplossingen om in de gegeven levenssituatie te overleven. Is een mogelijke gedachte tot de verbeelding gekomen dan kan de geest het verstand de gedachte laten toetsen op haalbaarheid, door de rede. Als de rede de gedachte haalbaar vindt, kan onder leiding van de geest het lichaam de gedachte uitvoeren. Vindt de rede de gedachte niet haalbaar dan kan een nieuwe oplossing bedacht worden voor de gegeven situatie. De levende geest tart de rede de juiste strategie te bedenken. Ook kan onder leiding van de geest de mens zich kennis eigen maken om zijn redbaarheid te verbeteren.

De bevredigende activiteiten voor het levende lichaam, de levenswil en de levende geest zijn afhankelijk van de levenssituatie en de ontwikkeling van individuele mens. Zoals beschreven zijn deze activiteiten, of passiviteit, door de eeuwen op verschillende manieren verwoord zowel in het oosten als in het westen. Die verwoording beoogt de mens evenwichtig, bezonnen, te maken en te ontwikkelen in een richting die de schrijver in gedachten had. Deze kunnen van filosofische, spirituele en of religieuze aard of in een oriëntatiekader.
Zowel de oosterse als de westerse mens weet intuïtief dat het in balans bevredigen van die behoeften leidt tot het menselijke evenwicht en dat dat uiterst moeilijk te verwerkelijken is. Zo moeilijk dat velen het geluk buiten zichzelf zoeken, in de hoop het daar te vinden. Het verlangen naar geluk buiten zichzelf is ijdel, alleen binnen zichzelf biedt mogelijkheden.

De levende mens kan gezien worden als een metafoor voor een levende organisatie. Omdat een organisatie uit mensen bestaat die willen leven zal ook alleen die organisatie overleven die de drie levenskenmerken zoveel mogelijk kan verwezenlijken.