3 Komen tot kennis
‘Zelf de meest revolutionaire bevindingen laten het merendeel van onze oude overtuigingen onaangetast.’[5] Bij de aanvang van dit hoofdstuk moest ik opnieuw aan deze woorden denken van William James. Niet dat mijn bevindingen zo revolutionair zijn, ze laten de oude overtuigingen onaangetast. Ze zijn zelfs gebaseerd op de oude overtuigingen.
‘Maar wat zijn dan de bronnen van kennis?
Het antwoord hierop is, denk ik, dit: onze kennis heeft vele soorten bronnen, maar geen enkele heeft autoriteit. ’[7 ]
Kennis kan omschreven worden als; het weten, begrijpen van of het bekend zijn met iets, maar ook het kunnen, in staat zijn tot iets.
Bij onze geboorte hebben wij al kennis, want wij weten direct na het proeven van (moeder)melk dat dat goed voor ons is, het graag drinken, lekker vinden. Dit wordt ons (dierlijk)instinct genoemd, het is een vorm van weten.
Daarnaast wordt kennis in onze geest opgeslagen door ons contact met de omgeving, de werkelijkheid. Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring.8 Ervaring, de indrukken die onze zintuigen in onze geest achterlaten. Die indrukken zijn wanordelijk en onze geest schept orde in die wanordelijkheid. Het verstand is ons vermogen tot oordelen en tot het vormen van begrippen, verstandsbegrippen.
Oordeelsvermogen
‘Het oordeelsvermogen is een bijzonder talent, dat helemaal niet onderwezen maar alleen geoefend kan worden.’[9] Geoefend kan worden tussen gedachten en werkelijkheid, omdat dan getoetst wordt of de gedachten overeenstemmen met die werkelijkheid. Het toetsen met de werkelijkheid vormt over het algemeen de juiste gedachte, met andere woorden: ’Waar is wat werkt’.[10] Zoals mijn kleindochter, tweeënhalfjaar oud, dat ervaarde nadat zij, ondanks herhaalde waarschuwingen dat de wokpan op het fornuis nu warm is, toch de wokpan aanraakte, ze verbrandde haar vinger licht. Waarna het feest kon beginnen, de vinger koelen onder de stromende koude kraan. ‘Daarom kan een arts, …vele mooie regels in zijn hoofd hebben … en toch in de toepassing van die regels gemakkelijk fouten maken…, omdat hij in de werkelijke praktijk voor dit soort oordelen onvoldoende geoefend heeft met voorbeelden.’[11]
In het begin van mijn werkzame leven op de tekenkamer kwam de bedrijfsleider een keer naar de tekenkamer en vroeg, met een tekening omhooghoudend: ‘Wie is de uitvinder van dit ‘fraais’?’ Ik, trots op mijn werk stak bereidwillig mijn hand op. ‘Kun je even meelopen naar de werkplaats?,’ vroeg hij. Dat wilde ik wel. Aangekomen bij het werk, van mijn tekening, vroeg hij: ‘Wil je deze bout even in dat gat doen?’ Dat lukte natuurlijk niet. Ik schaamde me en vertrok, met de staart tussen mijn benen. Ook het schoolmanagement doet uitspraken over school-situaties zonder ‘dat zij er geweest zijn’ of nog erger laat onderzoek doen door ‘onafhankelijke’ bureaus, terwijl zij de werkzaamheden, gedaan door deze bureaus, financieren. Dat is te vergelijken met: ‘Wiens brood met eet diens taal met spreekt.’ De werkelijkheid laat dat ook zien. En studenten, ook zij ervaren regelmatig dat, dat wat verwacht wordt -dat gekend wordt- geoefend moet worden. ‘Het is nog niemand gelukt om te leren schaatsen door, een winter lang voor de televisie, naar schaatskampioenschappen te kijken!,’ heb ik regelmatig studenten voorgehouden. In de hoop dat zijzelf, het van hun verwachte, gaan oefenen.
De rede
De rede probeert door redeneren, logische gevolgtrekking, orde te scheppen in de veelheid aan verstandsbegrippen. Door discursief onderzoek, stap voor stap tot een slotsom komen. ‘Het is zonder twijfel altijd nuttig om zowel de onderzoekende als kritische rede volledige vrijheid geven, zodat ze haar eigen belang ongehinderd kan dienen.’[12]
Soorten kennis.[13]
Er kunnen verschillende soorten van kennis onderscheiden worden:
Eerste soort; kennis door mening of verbeelding, door de zintuigen en herinnering.
Tweede soort; kennis door redenering, discursief inzicht.
Derde soort; kennis door intuïtie
De tweede en de derde soort kennis, maar niet de eerste, leren ons het ware van het onware te onderscheiden.
Intuïtief weten wordt wel de hoogste vorm van kennis genoemd en vermoedelijk uit ons dierlijk instinct ontwikkeld. Een onbewust streven naar het ‘juiste’ weten, naar waarheid, over het waargenomene. Dit waargenomene kan buiten ons of binnen ons ‘gezien’ worden.
Als we iemand ontmoeten weten we in een flits of die persoon het is of niet is. Meestal is het niet is maar is het het is, dan weet ons gehele lichaam dat, van puntje van onze teen tot aan het uiterste haarpuntje op het hoofd. Het waarom dat die persoon het is kunnen we niet verklaren maar we weten het. Ons innerlijk, intuïtie, weet dat het is. Ons innerlijk ‘weet’ op dat moment dat dit de persoon is waarmee we iets kunnen ondernemen, kunnen overleven. Ons oer instinct ‘weet’, in een flits, met wie de taak vervuld zou kunnen worden als het om de doorgeeftaak van leven gaat.
Als er tien sollicitanten op een rij staan ‘weet’ je met welke 2 of 3 personen een verder gesprek zinvol zou kunnen zijn, door de eerste indruk. Als twee verliefde personen ieder voor zich opschrijven waarom ze verliefd zijn op de ander, komen ze elk niet veel verder dan een kwart velletje A4. Het lezen van de reden wordt door de geliefde dan omschreven met: ‘Is dit alles?’. Waarom ons innerlijk weet, weten we niet en daarmee zullen we het moeten doen, het is niet anders.
Wetenschappelijk is dit niet te kennen, een gebied dat dan ook door de wetenschap genegeerd wordt, ze kan er niet bij komen. Omdat de onderzoekresultaten niet reproduceerbaar zijn, niet verifieerbaar. Dit kennen heeft met gevoel te maken, heeft te maken met ons innerlijk, onze essentie. Die soms naar buiten komt bij het lezen van poëzie, het horen van muziek of het kijken naar een schilderij, waarbij we dan, door ontroering, een traantje wegpinken.
Onze rationele westerse organisaties beperken zich veelal tot de eerste soort van kennis, waarbij het uiterlijk de boventoon voert, de rede niet zichtbaar is en het gevoel naar thuis is verwezen.
‘Kennis begint met de ervaring’ zegt Kant.[8] Om je kennis eigen te maken moet je ervaren, er op uit trekken, je eigen leven maken. Dat vindt van af de geboorte in ruime mate plaats, we doen bijna niet anders. Als we als kind een ander kind zien fietsen, willen we dat ook. Zodra de gelegenheid zich voordoet klauteren we op de fiets, we gaan doen. Als we ontdekken dat we daar plezier aan beleven, willen we meer. Beleven we er geen plezier aan, gaan we op zoek naar iets anders, wat wel boeit. Boeit ons het fietsen, gaan we fietsen. Van driewieler met zijwieltjes komen we tot driewieler en kinderfiets en verder. Dit leren hoort bij de mens. Is haar eigen: ‘Wat we eerst moeten leren om het te doen, dat leren we immers al doende: door huizen te bouwen wordt men bouwmeester, door de citer te bespelen wordt men citerspeler.’[14] Dat wat boeit en plezierig is om te doen smaakt naar meer, motiveert en motieven hebben we nodig om aan kennis te komen, om onze wil in beweging te brengen. ‘Dat voorts de individuele uitingen van deze wil bij kennende, dat wil zeggen dierlijke, wezens in beweging worden gezet door motieven,…prikkels, …en dat dus niet, … wil door kennis wordt bepaald, maar juist kennis door wil.’[15]
Deze, voor mij onverwachte, drie historische argumenten hebben de voortgang in mijn denken bepaald en die belangrijke rol gekregen die ze in werkelijkheid ook spelen.
Samengevat:
Wat we moeten leren doen, leren we al doende. Aristoteles
Kennis begint met de ervaring. Kant
Wil wordt in beweging gezet door motieven. Kennis wordt door wil bepaald. Schopenhauer
Wat is aan deze ‘gewone’ zinnen, van die filosofen, nu zo bijzonder? Ik vind ze bijzonder omdat ze met elkaar samenhangen, van elkaar afhankelijk zijn, zo zelfs dat het mogelijk is ze in een figuur weer te geven.
Zo ontstond mijn eerste (ontwerp) ‘Kenniswiel’.

(Ontwerp) Kenniswiel
Kenniswiel
Het Kenniswiel geeft de laatste ontwikkeling weer. Beide figuren geven weer dat het komen tot kennis volgens een proces verloopt, het komen tot kennis is een wordingsgang, ofwel: Komen tot kennis is een proces van betekenisvorming over ervaringen.
Ik heb het een kenniswiel genoemd omdat het betekenis vormen over ervaringen interactief plaatsvindt tussen onze geest, via de zintuigen, en de werkelijkheid. Motieven zijn van belang om wil in beweging te brengen bij het opdoen van ervaring. Is wil eenmaal in beweging, komen we tot kennis. De verworven kennis geeft verruiming van de ervaring, dat tot een nieuwe ervaring kan leiden, hierdoor kunnen motieven geprikkeld worden en het kenniswiel wordt doorlopen, waardoor kennisgroei ontstaat. Kennisgroei die aansluit bij de werkelijkheid, geleid door wil, gevoel, waarden en normen.
Het komen tot kennis komt pas tot stilstand als het lichaam niet meer in staat is de geest levend te houden. Het is een noodzaak de gevormde betekenis te toetsen aan die werkelijkheid om te komen tot ‘juiste’ kennis voor dat moment. Alleen in de geest tot kennis komen, leidt tot waangedachten. ‘Door logisch denken alleen kunnen wij niets te weten komen over de ervaringswereld, alle werkelijkheid betreffende weten gaat uit van de ervaring en keert tot de ervaring terug. Zuiver logisch verkregen stellingen zijn ten opzichte van de realiteit ten enenmale ledig.’[16]
Zoals in het kenniswiel wordt weergegeven worden onze ervaringen beïnvloed door diverse gegevens: ons gevoel, instinct, intuïtie, ons vermogen tot oordelen, redeneren, waarnemen, enzovoorts.
Voor het onderwijs betekent dit: onderwijs waar jonge mensen de weerbarstige werkelijkheid kunnen ervaren.
