2  De grote jongen

‘We zijn onbekenden voor onszelf, wij mensen van de kennis, we kennen onszelf niet: dat heeft zijn reden’.[1] Als we onszelf niet kennen, kunnen we dan iets zeggen over de omgeving waarin we leven, opgroeien en volwassen worden? We gedragen ons naar de omstandigheden waarin we leven en als die veranderen, verandert ons gedrag. Waarom gedragen mensen zich, zoals ze zich gedragen? Ik breng onder woorden gedrag van grote jongeren in schoolse omgeving, omdat ik daaronder jaren als docent gewerkt heb.
Als over ‘de grote jongen’ gesproken wordt is dat de jongere in de leeftijd van 17 tot 21 jaar, de adolescent. De jongere na een middelbare opleiding en dan voornamelijk de jongen omdat meisjes in het technisch onderwijs, de werktuigbouwkunde, helaas zelden voorkomen. De op zichzelf aangewezen jonge student komt, bij de aanvang van zijn technische studie, in een wereld van vakidioten terecht. In een voor hem vreemde wereld waar hij zijn draai moet zien te vinden. Want hij heeft ‘gekozen’ voor een hoge beroepsopleiding waarvan hij niet weet wat dát is.

De vraag die hij zich dan ook stelt is: ‘Wil ik dat eigenlijk wel?, Weet ik eigenlijk wel wat ik wil?’ Over het algemeen wordt als reden voor de studie keuze aangegeven: ‘Het lijkt me wel leuk.’ En daar moet we het dan mee doen. We weten niet precies wat we willen, want ‘we kennen ons zelf niet’. Het is moeilijk om onze natuurlijke, innerlijke, aard te kennen.

Werkelijkheid
In een continu veranderende werkelijkheid, waarin de mogelijkheden tot vermaak toenemen, is het zoeken naar rustpunten niet eenvoudiger geworden ten opzichten van mijn jongenstijd. Waar het, door een zelfgebouwde radio -Pionier van Philips - , mogelijk was om naar prof. dr. Kees Trimbos seksuele voorlichting programma te luisteren, in de jaren 70 van de vorige eeuw. Nu wordt via de PC, telefoon en MP3 de jeugd overspoeld met audio en video. Daarnaast brengt de TV het dagelijkse lokale en wereld gebeuren in ‘geuren’ en kleuren in beeld. Voor ons de werkelijkheid van nu, omdat het ons overkomt, die ons wordt opgedrongen. Vliegtuigen de Twin Towers in. Amerika in oorlog met Afghanistan en Irak. Als de eens zo machtige Saddam Hoessein, ex-dictator van Irak, wordt terechtgesteld door ophanging, worden de ‘ontoelaatbare’ executiebeelden de wereld over gestuurd. Daar waar ‘zekerheden’ werden gevoeld in de beperking, worden nu vaak onzekerheden gevoeld in de ongebreideldheid.

De woorden wisselingen in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw tussen atheïsten, rooms-katholieken en protestanten, gaven toch een mate van zekerheid, je hoorde ergens bij. Relaties mochten alleen binnen de geloofsrichtingen ontstaan want: ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Ontkerkelijking deed daarna op grote schaal zijn intrede. Een vlucht in allerlei spirituele groeperingen ging tot de mogelijkheden behoren, mystieke religies werden bekend, de keuze mogelijkheden om ergens bij te horen sterk verruimd. Op gronde waarvan kun je kiezen? Bestaat er nog een waarheid? Die zoektocht neigt een station te vinden in religieus conservatisme op rechts en behoudzucht op links aan het begin van de 21e eeuw, waarbij de mogelijkheid van radicalisering denkbeeldig is. Die genoemde spirituele zoektocht aan het einde van de vorige eeuw en de instroom van nieuwe culturen, heeft een kennismaking met andere zienswijzen door het verschijnen van lectuur in het Nederlands onze samenleving zich mijns inziens verreikt. Zoals de Vedische Schrift, Boeddhisme, Islam, Confucianisme, Taoïsme.

Grote jongen
De grote jongen, de adolescent, wil zich inschrijven voor een studie in het hoger beroepsonderwijs, hij kiest een hoge beroepsopleiding. ‘Wat moet ik kiezen?’of ‘Welk beroep past het ‘beste’ bij mij?’ Dat zijn vragen waar het overgrote deel van de aankomende studenten zich in maanden voor de studiekeuze en inschrijving, hun gedachten mee pijnigen. Met recht pijnigen want zij hebben geen ervaring met een eventueel komend beroep en weten niet wat de beroepsuitvoering inhoud, zodat zij ‘geen’ idee hebben van wat en hoe te kiezen. Tijdens opendagen komt nogal eens de vraag van ouders; ‘Mijn zoon moet een opleiding kiezen maar weet niet wat, kunt u ons helpen?’ ‘Dat u nu hier bent met uw zoon toont dat hij affiniteit heeft met techniek. Kijk om u heen, praat met de aanwezige studenten en vraag: ‘Waarom doe je wat je doet? Zoek naar aanknopingspunten in jezelf, naar dat wat het ‘beste’ bij je past,’ is meestal mijn antwoord en advies aan de zoon.

‘Nu is in ieders ogen die activiteit het meest begeerlijke die overeenstemt met zijn innerlijke houding.’[2] Dat wil zeggen dat je die activiteit in jezelf moet kunnen herkennen. Met die zoektocht heeft het merendeel van de aankomende studenten geen ervaring. Een manier om vanuit een technische gevoelsmatige benadering tot begrip voor een mogelijke studie keuze te komen, kunnen vragen zijn als: ‘Waar speelde je vroeger graag mee?’ of ‘Wat zijn je hobby’s?’ Wat je graag doet is een maat voor het plezier dat je er aan beleefd. Zoals Aristoteles al heeft gezegd: ‘Een activiteit wordt immers versterkt door het genot dat er eigen aan is. Op elk gebied is men immers tot een beter oordeel en een grotere perfectie in staat als men zich met plezier aan de activiteit wijdt.’[3] Het percentage van de jongerengroep die een nieuwe studie met ‘zekerheid’ begint bedraagt ongeveer 20%, zodat een ruime meerderheid van 80% een studie kiest op grond van het gegeven: ‘Het lijkt me wel leuk!’ Hij laat zijn gevoel de keuze doen, omdat hij niet anders heeft, hij zal het ermee moeten doen. Tijdens het de eerste maanden van de opleiding zal moeten blijken of de keuze juist is geweest, er op vertrouwend dat die opleiding in die tijd heeft kunnen laten ‘voelen’ wat de beroepsuitvoering zou kunnen inhouden.
De grote jongen die aan een studie begint is na vier jaar een jonge volwassene geworden. Hierna ontstaat een nieuwe situatie, de beroepsuitoefening in de werkelijkheid. Beide begin situaties moeten gekoesterd worden opdat de individuele mogelijkheden van de jonge mens zich kunnen ontwikkelen.

Instroom     17 jaar                           Uitstroom    21 jaar              

Jongelingen op weg naar de                Jonge volwassenen op weg        
volwassenheid                                   naar de volwassenheid                      

Nieuwsgierig                                      Nieuwsgierig
Ondernemend                                   Ondernemend
Creatief                                            Creatief               

School
De school als zelfstandige organisatie is door de fusie golf verworden tot een conglomeraat, een Moloch. De doelstelling: ‘dat daardoor op de organisatie bezuinigd kan worden,’ een fabel. Dat het ook in het onderwijs net zo min als in het bedrijfsleven tot goedkopere en een beter werkbare organisatie resulteert, bewijst het resultaat. Slechts 5 % van de fusies in het bedrijfsleven slaagt. Naast ca. twee jaarlijkse organisatie veranderingen vinden er ook nog eens, ongeveer de zelfde cycli, curriculum veranderingen plaats en allen onder de kopstok: ’het huidige onderwijs is te duur.’ De veranderingdrang heeft een gewoonte gedrag doen ontstaan. ‘Een gewoonte is het reusachtige vliegwiel van de maatschappij, haar kostbaarste behoudende kracht. Het is immers de gewoonte die de mijnwerker onder de grond houdt en de visser op zee.’[4 ]

De organisatie is een instituut geworden waar bureaucratie de macht heeft met als gevolg, ‘dood’ rationaliseren van die organisatie. Die bureaucratie die groeit, op de wijze als een weefsel dat maar doorgroeit totdat het organisme waarop het is gegroeid, verstikt onder zijn nieuw gevormde massa. De procesgang heeft het van het product gewonnen. Men is blijkbaar vergeten dat aan het eind van de wordingsgang van het product, het proces opgelost is. Als het proces gehandhaafd blijft, er nooit een product ontstaat, je werkt voor het niet-wordende. Dit verschijnsel doet zich in grote bedrijven voor, dus ook in de school conglomeraten, waar het gevoel, het hart, is weggerationaliseerd, een kenmerkend verschijnsel in het westen. Het gaat hierbij niet om de aandacht voor de student, het product, maar om de vraag: ‘Hoe loodsen we de student zo snel mogelijk door de opleiding?’ Onder het gegeven: ‘Als de student binnen is mag hij er alleen met een diploma uit!’ Diegene die het materiaal er het snelste doorheen loodst is spekkoper.

Daarbinnen moet de student zijn weg zien te vinden, samen met het onderwijzende personeel. Bij de aanvang van de studie is dat lastig, mede omdat gegevens elektronisch aangeboden worden. Het vraagt enige discipline van de student, dat heeft voordelen. Aanpassen leidt overigens niet tot studievertraging bij de student, omdat hij dat wel geleerd heeft in de voorafgaande leerjaren, daar hij heeft ervaring mee.
Het contact met de studenten en collega’s is voor het personeel over het algemeen de ‘landvast’ om enthousiast de gevraagde taak uit te voeren. Ik heb dat met veel plezier mogen doen. Er is de laatst 20 jaar geen verandering gekomen in de organisatiebeleving van onderwijzend personeel en het management van de organisatie. De metafoor die ik, in het begin van mijn werk in het onderwijs bedacht, om te kunnen begrijpen waarom en hoe het schoolpersoneel met elkaar omgaat, is nog steeds ‘zichtbaar’ actueel. Die metafoor luidt: ‘Onderwijzend personeel en studenten varen in een bootje op een groot meer en in een ander bootje vaart de schoolleiding, het management. Beide bootjes zien elkaar af toe, er wordt dan misschien naar elkaar gezwaaid, maar hebben geen enkele interesse in elkaar.’ Ik vind dat nog steeds uiterst triest.

Ik ben van mening dat het gevoel terug moet komen in de school en de organisatie en dat is mogelijk als de ‘opdacht van de school’ weer die aandacht krijgt waar de school voor opgericht is. Jonge mensen te begeleiden op hun weg naar hun volwassenheid, zodat zij zich een plaats in een wordende maatschappij kunnen verwerven en zich kunnen ontplooien in een richting die zij wensen. Als dat weer een grondgedachte wordt van onderwijs, dan komt empathie weer vanzelf terug in de onderwijsuitvoering. Omdat zonder empathie de opdracht niet op de juiste manier uitgevoerd kan worden. Empathie dat je tegenkomt bij kleine organisaties en organisaties in de pioniersfase. Organisaties die succesvol zijn, zijn vaak niet groot en hebben een ondernemende spiritualiteit. Omdat organisaties uit mensen bestaan, is het menselijke ook noodzakelijk om te kunnen leven. ‘Zelfs de meest revolutionaire bevindingen laten het merendeel van onze oude overtuigingen onaangetast.’[5] Ik adviseer afgestudeerden hun werkzaamheden te beginnen in kleinere organisaties, die een product ontwerpen en produceren. Zodat je leert leven en werken.

De volmaakte school. Ali Sjari’ati [6]
De meest volmaakte school, voor het bevrijden van de mens, is de school die de meest elementaire behoeften van de mens insluit. Deze elementaire behoeften uiten zich in drie verschijningsvormen.
Existentialisme                               
Streven naar Rechtvaardigheid
Liefde en Mystiek

TAO TE CHING, vers 11 [http://www.euronet.nl/~advaya/tttjing.htm]

Dertig spaken rond een naaf geplaatst, maken het wiel,
doch de leegte van de naaf bepaalt zijn bruikbaarheid.
Klei wordt gekneed om een kom te vormen,
doch de leegte van de kom bepaalt haar bruikbaarheid.
Deuren en ramen worden in een kamer gesneden
en het is hun leegte, die hun bruikbaarheid bepaalt.
Haal daarom voordeel uit wat is,
maar zie het nut van wat niet is.